Pools Online logo
Inloggen cursisten
Lesonderdeel: Werkwoorden

Werkwoorden

Snel werkwoorden leren!


Werkwoorden zijn van groot belang als je een taal wilt leren. Iedere zin heeft per slot van rekening minstens één werkwoord. Ze vertellen je wat er gebeurt, en wie de actie uitvoert. Geen wonder, dus, dat de lijst van meest gebruikte woorden voor een groot deel uit werkwoorden bestaat!

Helaas is werkwoorden leren ook iets waar maar weinig mensen plezier hebben. Dagenlang rijtjes stampen is echter niemands favoriete manier om je tijd te besteden. En al die uitgangen en tijden kunnen je al snel gaan duizelen als je het verkeerd aanpakt.

Gelukkig zijn er manieren om sneller én leuker werkwoorden te kunnen leren. Je zult zien: uiteindelijk vervoeg je alles zonder er zelfs nog maar bij na te hoeven denken!
Begin met de top-50 werkwoorden

byćzijn
Jajestemw domu.Ikbenthuis.
Tyjesteśw domu.Jij, jebentthuis.
Czyjesteśw domu.Benjethuis?
On,ona,onojestw domu.Hij,zij, ze, hetisthuis.
Pan, panijestw domu.Ubentthuis.
Myjesteśmyw domu.Wij, wezijnthuis.
Wyjesteściew domuJulliezijnthuis.
Oni, onew domu.Zij, zezijnthuis.
Kies het juiste werkwoord.
Kto to - - - - - ?
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
Cześć, ja - - - - - Richard.
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
Czy - - - - - nauczycielem?
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
Co to - - - - - ?
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
To - - - - - kawa.
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
Czy - - - - - w domu?
  1. a jestem
  2. b jesteś
  3. c jest
nazywać sięheten
Janazywam sięPietkiewicz.IkheetMulder.
Tynazywasz sięKowalska.Jij, jeheetJan Mulder.
On,ona,ononazywa sięKowalczyk.Hij,zij, ze ,hetheetBouma.
pan, paninazywa sieMatacz.UheetHoefstra.
Mynazywamy sięDe VriesWij, wehetenDe Vries.
Wynazywacie sięDijkstraJulliehetenDijkstra.
Oni, onenazywają sięVan de HoekZij, zehetenVan de Hoek.
Kies het juiste werkwoord
Jak się (ty) - - - - - ?
  1. a nazywam
  2. b nazywasz
  3. c nazywa
- - - - - Petra de Klein.
  1. a Nazywam się
  2. b Nazywa się
  3. c Nazywasz się
Jak masz na - - - - - ?
  1. a imię
  2. b nazywasz się
  3. c nazywać się
- - - - - Petra.
  1. a Jestem
  2. b Jest
  3. c Nazywa się
- - - - - Petra
  1. a Mam na imię
  2. b Jest
  3. c Nazywasz
- - - - - się Tiemens.
  1. a Jestem
  2. b Nazywasz
  3. c Nazywam
miećhebben
Jamamdom.Ikhebeen huis.
Tymaszdom.Jij, je, uhebteen huis.
Czymaszdom?Hebjeeen huis.
On,ona,onomadom.Hij, zij, ze, hetheefteen huis.
Pan, panimadom.Uheefteen huis.
Mymamydom.Wij, wehebbeneen huis.
Wymaciedom.Julliehebbeneen huis.
Oni, onemajądom.Zij, zehebbeneen huis.
Kies het juiste werkwoord
Jak się (ty) - - - - - ?
  1. a mam
  2. b ma
  3. c masz
Jak ona - - - - - na imię?
  1. a mam
  2. b masz
  3. c ma
- - - - - na imię Petra.
  1. a Mam
  2. b Masz
  3. c Ma
Czy Jacek - - - - - herbatę? (thee)
  1. a ma
  2. b mam
  3. c ma
Czy (ona) - - - - - kawę. (koffie)
  1. a mam
  2. b masz
  3. c ma
Ty nie - - - - - kawy. (koffie)
  1. a mam
  2. b masz
  3. c ma

Deze eerste les kan je gratis inzien om een indruk te krijgen van de cursus.
Enthousiast geworden over Pools studeren bij Pools Online? Meld je dan nu aan!


Hierbij geef ik toestemming om informatie en aanbiedingen te ontvangen per e-mail. Meer informatie: Privacy Policy
Bel direct: 0611734944